Ruimtelijke niveaus van witheid.
Door Freek Lomme:
Interfacing Space’ is geen expositie maar een context. In deze context wordt de bezoeker opgenomen. Het gaat over de relatie tussen ruimte en gemoed, vanuit een context waarin structurele niveaus van witheid opdoemen.
De museale ruimte is een White Cube, zo betoogde Brian O’Doherty in zijn in 1976 gepubliceerde boek ‘Inside the white cube’, met passende ondertitel ‘The Ideology of the Gallery Space’. Hierin beschrijft hij dat de context van de galerie, de White Cube, gesloten is: de ruimtes zijn er witter dan wit, reiner dan alles wat zich buiten deze ruimte afspeelt. Er is sprake van een sferische verstilling. Wat resteert in de White cube is de bezoeker en diens visuele perceptie. Het kunstwerk staat hierin centraal en hiermee wordt het kunstwerk, vanuit de witte context. Als een religieuzer ervaring aangeboden. De White Cube presenteert de metafysische wereld van de kunst. De ‘witte doos’ is kenmerkend voor de 20e eeuwse kunstpresentatie en context. Deze context is dan ook onlosmakelijk deel geworden aan de 20e eeuwse kunst zelf. Het behoort tot een canon van de kunsttheorie waar veel kunstenaars mee zijn gaan werken. Toch is de museale ruimte ook gewoon een ruimte, ondanks het feit dat ze een vreemdsoortige witte doos is.
Structurele niveaus van witheid
Toen ik in ‘Interfacing Space’. Een enorme installatie van wouter osterholt en elke Uitentuis, kroop, ontwaarde ik structurele niveaus van witheid. De witheid van de museale ruimte krijgt hier een gelaagdheid die stil en passief blijft, maar toch totaal getransponeerd wordt. Het metafysische vermogen van de White Cube krijgt hier een enorm contextueel surplus.
Hoe dan, vraagt u zich wellicht af. Ik kroop in een tunnel, wit, 75 cm. Breed en van hoogte startend met 2 meter en eindigend in ongeveer 75 cm. Het loopt schuim omhoog. Aan het eind van deze tunnel is een bocht naar links. Een kleine claustrofobische witte ruimte omsluit de kruipende bezoeker. Mijn knieen wisten zich gedragen door een nette, witte, zachte vloer. Deze vloer houdt op waar de ruimte weer hoger wordt. Een rechthoekige bak doemt op. In deze bak is een klein plateau van waaruit de bezoeker aan zijn rechterzijde witlicht ziet opdoemen uit een nabije diepte. Dit landschap. Deze witte context, is met zachte en zorgzame hand ontworpen. Nadat ik dit landschap zijdelings langs mijn gemoed heb laten afglijden schuif ik stilaan verder, nog zeker 80 meter behoedzaam voortschrijdend. In verschillende verschijningsvormen doemen witte structuren en lichtintensiteiten op en gaan ze voorbij.
Wit gemoed
Wouter Osterholt en Elke Uitentuis hebben en fantastische context opgeworpen. Met ‘Interfacing Sapce’ willen zij een onderzoek doen naar de invloed van architectonische vormgeving en ruimtelijke planologie op de beweging en gemoedstoestand van mensen. Vanuit dit werk denken osterholt en Uitentuis verder: ze willen niet alleen deze ruimte in stille schoonheid aan ons gemoed ‘opdringen’, ze wensen, vanuit dit werk eveneens te onderzoeken hoe de bezoekers de ruimte ervaren. Ze willen registreren hoe het publiek reageert in deze door hen opgelegde context. De resultaten hiervan worden door hen gedocumenteerd. Al kruipend, verrijzend en voortkruipend vergat ik dat ik me in een museale ruimte bevond. De belevenis van het wit was oppermachtig, stil en subliem, zoals alleen metafysche ervaringen van sublimiteit getuigen, of, in andere woorden: de beleving van dit werk, deze architectuur, was allesoverheersend, vervulde mijn gemoed terwijl er eigenlijk niets dan stille structuren van witheid waren.
Interfacing Space’ gaat verder dan de beleving. Beleving is hier niet uiterlijk maar innerlijk, dringt zich metafysisch op aan het gemoed. De beleving gaat aan de museale geworpenheid voorbij. De context omzwachtelt het gemoed van de bezoeker in gelaagde stiltes. Het gaat aan bestaande ervaring van witheid voorbij. Hier is een totaallege ervaring en een fantastische reactie op de cultus van de totaalsensatie die directe, multidisciplinaire publieksbenadering vaak lijkt te suggereren. Daarnaast slaat het ook weer niet door naar een bonte anti white cube, zoals multidisciplinaire werken dit vaak presenteren. De doelstellingen van een totaal theater worden door Osterholt en uitentuis minimalistisch opgevoerd. Het is de oude cube in de nieuwste jas.
Ik houd niet van kleine ruimten zoals ik ook niet houd van grote hoogten. Mijn bewegen in de ruimte was wat gehaast. Voor mijn persoon zal gelden dat mijn reactie op de gereguleerde ruimte ‘houterig’ was. Ondanks deze fysieke kenmerken was mijn gemoed, de innerlijke motoriek, vervuld door de gelaagdheid van al dat wit. Ik hoef niet meer naar de poolcirkel.
___